Ver voordat m’n vliegtuig naar Seoul vertrok was ik natuurlijk al weg. In de week voor mijn vertrek heb ik veel mensen die ik ken nog een keer één-op-één gesproken. Dat was wanneer de (tijdelijke) ontbinding van mijn sociale omgeving aanving en waar dus mijn reis begon. Dat ik nu een half jaar minder temaken heb met de mensen die me interesseren is té gek, omdat na een week extra hard werken het weekend leuker is.

Het verschil tussen arm en rijk is hier groter dan in Nederland. Er is me verteld dat hier helemaal geen sociaal vangnet is. Een groot deel van de mensen werkt zich de tiefus en gaat naar mijn inschatting mentaal compleet ten onder aan de eeuwige repetitie van hun werkzaamheden. Het contrast met de veranderingen om míj heen is groot. Mogelijk gemaakt door puur toeval ben ik zo rijk dat ik niet gehypnotiseerd hoef te worden door repetitie en kwantiteit en ik zonder enige ruis vollop kan genieten van de kwaliteit van mijn denken en de veranderingen daarin.

Dat ongelijkheid er nu is en er altijd zal blijven betekent niet dat je het moet accepteren als fenomeen en je dus het risico loopt om het niet meer constant te beseffen. Ik doe m’n best om continu het interessante om me heen op te merken en te genieten van het goede.
Hoewel er voor iedereen zoiets valt te ervaren als ‘het goede’ denk ik dat niet iedereen er mentaal (nog) fris genoeg voor is om dit juist te onderscheiden door de desastreuze gevolgen van repetitie, apathie. Op korte termijn valt er weinig te doen aan de gevolgen hiervan waardoor er nog lang een verschil zal blijven bestaan in de kwaliteit het leven van de slachtoffers van het lokale welvaartsniveau. Net zoals religie een onvolmaakte oplossing voor leed en onzekerheid aandraagt, stel ik voor om hen die ‘het financieel niet getroffen hebben’ te laten denken in relatieve voorspoed zodat ook zij hun lolletje kunnen hebben. Zij die de loterij wél gewonnen hebben zouden zichzelf moeten verplichten zich continu de absolute graad van voorspoed te realiseren, ofzoiets.

Nadat ik stevig in de watten ben gelegd door de stewardessen van Emirates kon voor mij het avontuur beginnen. Naast water was mijn primaire behoefte onderdak. Ik zocht en vond een crappy hostel.
De volgende dag zou er een hoop geregeld moeten worden dus we (mijn twee Nederlandse medereizigers van de VU) zouden alleen even een klein biertje doen voor de smaak.

Op een bedje van slakken en inkvis stapelde het bier zich op en later die avond zongen we in een karaokecafé Andre Hazes. Wie had dat kunnen voorzien?!

Van een goedkoop uitziende website hebben we een nummer genoteerd en deze de volgende dag gebeld. Aan de telefoon hing Jilbert Cang. Hij reed ons direct de volgende dag door de buurt om ons de huizen in zijn assorti te showen. ‘Next loom, next loom yes’. Zoals dat hier gaat hebben we daarna direct een contract opgesteld waarin erg weinig stond beschreven; een contract op basis van ‘goed vertrouwen’ (op goed geluk, voor non-Koreanen). Nadat we de nodige vragen hadden gesteld aan voorbijlopende expats over de lokale gebruiken waren onze twijfels over de rechtschapenheid van Jilbert volledig weggenomen. De volgende dag trokken we in ons huis.

Hoewel we nu ‘Amsterdams geld’ neerleggen voor ons appartement, lijkt het er sterk op dat we een erg goede keuze hebben gemaakt. Het contrast met de kamer waar andere exchange-studenten zitten is groot. We hebben allemaal (3) een eigen slaapkamer en gezamelijk een riante woonkamer. We hebben hier geen avondklok en we mogen zelfs met verschillende geslachten mens in één lift. Het is geweldig, of eigenlijk gewoon níet volstrekt leip.

Nu slijten we onze dagen in Itaewon, de buurt waar de meeste expats zitten. Vóór ons appartement loopt een 8 baans weg, en dáár weer voor geniet men op het terras van voedsel. Aan de overkant van de weg is een Amerikaanse legerbasis, dus als de pleuris nog een keer uitbreekt zijn wij hier de eersten. (Hi mam!) Ónder ons zitten een stel gasten in hetzelfde schuitje als wij. Zij gaven de eerste nacht dat we hier waren een feest, wat ons erg is bevallen. Aanstaande vrijdag is het onze beurt.

Ergens rond dag drie was mijn eerste dag op school. Er is introweek dus de bedoeling is dat ik op tijd kom enzo. In alle vroegte pakte ik de metro. Wat daar opvalt is de hysterische overcapaciteit. Alles is gigantisch. Er zijn 20 roltrappen en 12 mensen, bij wijze van spreken. Het is er zo schoon, als je zou willen zou je de grond kunnen likken.
In de metro ben ik de enige buitenlander. Hoewel iedereen z’n best doet om beleefd te doen en niet te staren kunnen ze zich toch meestal niet inhouden.
Aangekomen op school wist echt slecht hoe ik het had. Het contrast met dat stuk beton in Amsterdam is gigantisch. De universiteit hier is een soort dorp van 20 van die Harry Potter kastelen. Schitterend. Wat volgde was een bijeenkomst van alle internationale studenten in een Carré achtige zaal. In een introductiefilmpje werd met veel bombarie (Hollywood blockbuster-style) aangekondigd dat wij de toekomst zijn enzo en dat de president van de uni een held is. De presentatie van een belangrijke man daarna schetste een enorm contrast met het introfilmpje. Weinig charisma die Koreanen, maar dat geven ze ook ruiterlijk toe.
Vervolgens moest er één en ander getypt worden voor registratie van gegevens. ‘Write down your name in Korean’… Gelukkig zijn de Koreaanse assistant buddies echt absurd behulpzaam. Hele aardige lui.
De rest van de introdagen heb ik gemist.

De drinkcultuur hier staat me erg aan. Een pilsje kopen en daarmee minúten lang in je hand staan zoals dat in Holland gaat is er hier niet bij. Afhankelijk van of je jonger of ouder bent dan je drink-maten schenk je Soju (soort wodka, iets laffer) in met één of twee handen. Dan schreeuw je iets en sla je de boel achterover/ giet het in je neus. Dit 10 seconden durende proces herhaal je totdat je lam bent. Simpel zat. Het is zodoende geen enkele schande als je volstrekt van de wereld midden op straat ligt met je telefoon op een paar meter links van je en je portemonnee op rechts. (is eerlijk waar nog niet met mij gebeurt). De bedoeling is dat je over ze heen stapt en dat je hun bezittingen laat liggen waar ze liggen. Stelen enzo komt niet in ze op.
Anyway, vrienden zijn hier snel gemaakt. Wat ze hier grappig vinden kom je in Nederland echt niet mee weg. Hiddink Hiddink Hiddink. Je wijst naar iemand aan tafel, schreeuwt ‘You Orlando Bloom, you Johny Depp’ en ze kronkelen echt onder tafel van het lachen. Nogal top. Dat zeggen ze dan ook van mij en voor je het weet heb je de avond van je leven. Zoals gister, zoals eergister.
Gister dus. We zaten aan zo’n lage zit tafel zonder schoenen als een idioot te zuipen tussen de Koreanen (van die spelletje in de categorie ‘pak een kaart en als het geen rode klaver 13 is moet je drinken’). Voor ons lag zo’n heel buffet met garnalen en inktvis enzo die zij besteld hadden en achter ons liepen hoeren te paraderen en er was een vergezicht van wolkenkrabbers. Dan schiet het je te binnen waar je mee bezig bent en je kijkt je Hollandse maten aan met zo´n kop van ´jeusus wat is dit vet´.

Ik kom er later op terug maar ik doe nu toch even een poging:
Alles is hier heel anders, maar toch hetzelfde. Ja?! Het podium is heel anders en de mensen zijn ook ronduit raar maar wel allemaal absurd aardig.
Seoul is super ver en doodeng, maar het is hier eigenlijk precies hetzelfde. Het is daarbij ook niet zo dat je ineens uit elkaar knalt als er iets mis gaat ofzo, als mens. Het is gewoon leuk om te doen, zo’n trip. Doe het gewoon wel. De rede die je kan hebben om het niet te doen is ongeldig.

Als dissonant tussen het aproductieve gekloot (jaaaaaa, awesome) van de afgelopen dagen hebben we laatst zelfs echt iets gedaan.
Tussen het oerwoud van wolkenkrabbers liggen in Seoul vele stukjes bos. Waar de bergen steil omhoog schieten wordt niet gebouwd; is er plaats voor een geniaal park. Bukhansan National Park is er zo één. Een stukje bos waar de bergen steil omhoog schieten, er wordt niet gebo…..

Anyway, we hebben dus het hele eind omhoog gelopen over stenen, tussen bomen. Aan de voet van de berg gaat het niet zo steil dus is er ruimte om groepen klimmers met hetzelfde shirt aan af te zeiken. Vlakbij de top betrap je jezelf erop dat je er bij loopt (staat, kruipt) als een pasgeboren hertje. Ik klamp me vast aan mijn laatste strohalm, een stróhalm (aaaaaahhhhh hahahahahahaikmaakmgewoonhahahahaha). Als dat ijzeren hek het dus niet houdt val je als het tegen zit 200 meter naar beneden. Niemand doet daar moeilijk over dus wij zogenaamd ook niet.

Wanneer je dan na een lang verhaal boven bent is het uitzicht schit-ter-end. Tussen het oerwoud van wolkenkrabbers liggen in Seoul ve…. Omdat het park precies in het midden van de stad ligt is overal om je heen bebouwing. Je bekijkt de stad van een in verhouding zelfde hoogte als dat je dat van een uit de hand gelopen mierenhoop zou doen(?). In gedachten zie ik de woningen van 25 miljoen mensen zich uit het zicht vermenigvuldigen alsof het een celdeling betreft. Voor mij lopen 15 identieke gestalten in hetzelfde shirt langs. Voor 99% ben ik hetzelfde. (Voor het verhaal zou het natuurlijk leuk zijn als er een Koreaanse mevrouw met een kort satijnen rokje langs zou paraderen zodat ik een verhaal af kon steken over vermenigvuldiging en dat we uiteindelijk toch allemaal hetzelfde worden enzo, maar helaas was zij hier niet.)

Ik wordt ingelicht door mijn buddy-assistant dat er een kampioenschap voor verschillende sporten wordt gehouden tussen twee rivaliseerde universiteiten. De mijne tegen de Yonsei-university, Amerikaanse stijl. Vrijdag en zaterdag zijn de spelen, dinsdag moeten we oefenen met juichen (?).
Dus die dinsdag, ik op commando schreeuwen, juichen en blij doen. Bovendien werden er wat stapjes naar links en naar rechts gemaakt maar ik had het vrij snel gehad.
Vrijdag. Wij (Sam) richting het honkbal stadion. In de metro zag het al behoorlijk Korea-university rood. Was dus een grote aangelegenheid, vermoedelijk. Reeds gehuld in rode prullaria betraden we het (olympisch) stadion. Half elf ‘s ochtends en het ging lóós hé. Bier in je oog, mensen die je niet kent die je omarmen, ‘homoseksueel’ schreeuwen enzo, alles. Linker helft van het stadion helemaal rood, rechterkant Yonsei-blauw. Voor elk legioen een groep felgekleurde springmensen die zegt wanneer je hoe moet juichen en dansen. Was nog hard nodig ook want er waren idioot veel verschillende dansjes die synchroon moesten. Enfin, we schuiven aan bij wat willekeurige lui. Zes armen om je nek en springen. Het is dan nog steeds half elf. Naar voren, naar achter, arm los, omhoog, arm vast, linker been, buig naar links, rechter arm los, “animal sóóóund”. Ko-dé, Ko-dé, Ko-dé met je vuist in de lucht in je rode kloffie, alsof je een paar decennia terug gaat. Tweede nummer, iets met Tiger enzo. Was een soort Macarena. Terwijl ik me game together probeer te krijgen schreeuwt men synchroon wat dreigends. Even stil. Dan beuken er ineens van alle kanten mevrouwen van maximaal 45 kilo op me in. Cóme on, Come ón, zeggen ze tegen me. Is prima, ik duw een beetje. Vrouw weg. Opstaan en door beuken. Nogal harde lui. Derde nummer, rechter arm over onbekende buurman, linker arm over buurvrouw en dan met het hele stadion synchroon naar links stuiteren. Rechts, hop-hop-hop, en links. Dan kom je dus heel ergens anders uit als waar je begon. Iedereen is 30 meter weg van z’n tas met z’n laptop en z’n paspoort en z’n leven. Dat werkt hier prima. M’n tas lag er daadwerkelijk nog na een uur of wat.
Op een gegeven moment valt het op dat het juichen en dansen geen enkele samenhang heeft met het spel dat er gespeeld wordt. Interesseert niemand.
De tweede dag was grofweg hetzelfde, nogal prima dus. Toen de voetbal pot af was bestormde men het veld. Anderhalf uur later waren reeds alle andere internationale studenten verdwenen uit het stadion. Samen met duizenden Koreanen (blauw en rood door elkaar) heb ik me nog helemaal de tiefus gedanst. Hoosbui erbij, is goed. Alles is prima.

Wat een volk! Wát een volk.

Filmpjes staan hier:

Voor dat je het weet zit je er dan dus twee maanden.
Je zou kunnen beweren dat de rust reeds is teruggekeerd. Doordeweeks gaan we naar school, en in het weekend gaan we keihard uit. Routine. Ik denk dat je kan stellen dat ik hier m’n leven heb opgebouwd, of zo iets afgezaagds. Ik kom reeds niet meer om in de officiële formulieren en het personeel van de tacowinkel om de hoek begint meteen een ‘large beef taco no spicy’ te maken als ik binnen kom. Ik ontbijt met Kimchi, dus metro stink niet meer.
5600 Keer Hiddink zeggen op een avond heb ik ook geen zin meer in, maar voor de tijd dat het duurde was het leuk.
Na de mid-term exams gooien we weer ‘de beuk dr in’ en gaan we naar Tokyo en pakken we de trein naar wat oude Koreaanse dorpen.
Het vreemde is dat wat je ook doet, je raakt er wel gewend aan. Elke week zie ik wel een gevecht op straat, elke week met een hoer in een leip gesprek in een gevaarlijk straatje -just for the fun of it- en grofweg elke avond mensen die iets semi-dreigends tegen me roepen omdat ze US-soldiers niet tof vinden. (legerbasis om de hoek, buurt vol militairen) Daar hebben ze overigens een goed punt. De lui zijn zúlleke stakkers. Ongeëvenaard.
Anyway, ik geniet nog steeds. Op een vrije dag pak ik de metro naar een onbekende bestemming. Waar ik blijkbaar uitstap loop ik een paar uur rond, maak een paar foto’s, spreek eens een oude man aan. Tussen hoge gebouwen en zakenmannetjes lopen in m’n korte broek met een rustig jazz-je op me oren wordt ik doorgaands erg blij van.

Best heel prima om eens iets te veranderen zonder dat er een probleem is.
Ik heb in Nederland al lol zat. Niks mis mee. Toch zit ik nu hier.
M’n leven is een flipperkast en ik krijg drie ballen. Met de reguliere drie ballen gaat het spel me prima af. Als ik alle drie ballen verspeeld heb ben ik verdomd blij met m’n score. Ha, prima. Hè hè, dat was leuk. O, hé verdomd, vierde bal. Te gek hé. Niks te verliezen. Flink op die knoppen drukken en kijken of je nog eens een keer wat raakt ook. Dat doe ik nu, en dat is prima.

Iets meer in de categorie ‘en toen, en toen, en toen’-verhaal:
We waren laatst in Busan. Ook nog nooit van gehoord. ‘Hebben we daar wel bereik met de telefoon’. Welja, vijf keer zo groot als Amsterdam. Gaan.
Ons hostel was in een uitgaanscentrum. In een zee van neonlampen zijn we langs letterlijk 200 bars gelopen, en inderdaad, zo nu en dan maken we een uitstapje naar links of naar rechts.
Busan ligt aan het water, Seoul aan zee. Er zijn zat hoge gebouwen langs de kust en de kenner weet dat ik bij dat aangezicht met m’n oren begin te klapperen van zaligheid.
‘s Avonds buiten verzamelden enkele ouderen waarvoor de maatschappelijke ontwikkelingen te snel zijn gegaan oud papier op straat. In verhouding een klein offer. Hoog op een dakterras van een wolkenkrabber daarnaast staat de jongere generatie haar vers verdiende geld op te drinken. Daar stond ik tussen; ik vierde het kapitalisme.

En dan toch weer een stukje leip:
Ik doe hier zo veel belachelijk dingen dat ik het Noorden een beetje aan het verliezen ben. In Nederland heb ik doorgaans alle tijd om elk stukje interessante belevenis stevig te overdenken tijdens een van mijn nachtelijke wandelingen. Hier echter volgt de ene absurde middag, avond of nacht de andere in rap tempo op. Heb geen tijd om me te realiseren wat ik allemaal doe. Als ik wakker wordt heb ik minuten lang nodig om m’n game weer een beetje together te krijgen. Ik denk niet dat het me echt op zou vallen als ik ineens in Amsterdam wakker zou worden.
Overdag begint dan de serie van schier-onverklaarbare Koreaverschijnselen om me heen, afgewisseld met intens voor lul staan botweg elke 7 minuten. De ene tien minuten wordt ik vereerd en het andere moment beginnen er mensen boos tegen me te schreeuwen omdat ik blijkbaar iets fout doe.
Het is alsof ik bij een college zit; ik snap er nu nog weinig van maar ik maak aantekeningen als een bezetene. Als ik thuis ben en uit die wervelwind geslingerd kan ik de boel eens duidelijk op een rijtje gaan zetten.

Hoe dan ook: 9,5/10.

Onderstaand filmpje is van Steve Jobs. Vermaak voor jong en oud. Ondertussen stay ik hungry en foolish. De dots connect ik later wel.

Uitkijkende over mijn favoriete dotje wolkenkrabbers in de verte grijp ik mijn kans een dualisme te schetsen. Korea versus Nederland. Verrassend.
Overdreven, maar als je het als het licht oppakt gewoon waar, wat mij betreft.

Het is een hele ervaring om vanuit een ander land naar Nederland te kijken. Nou ben ik de
afgelopen jaren überhaupt niet lyrisch geweest over Nederland maar nu ik hier ben loopt de boel welhaast uit de hand.

Enfin, twee stuks ‘liberale’ staat. Beiden kapitalistisch. In allebei de landen mensen met een neus, oren en een mond en haar etc. Waar het verschil er keihard in beukt is mentaliteit. Aan de ene kant (daar is de overdrijving) de ambitieuze, jeugdige, innovatieve mens ‘met tenminste nog eens een beetje testosteron in z’n flikker’ en aan de andere kant ver hier vandaan een arrogante, ingekakte, lamlendige, uitgerangeerde dikzak. Korea versus Nederland. De adolescent en de pensionado.

Voor zover ik nog niet begonnen was, begint het bij de berichten die ik lees op Nederlandse websites. Het lijkt alsof het hele land achter de feiten aan loopt. We hebben de boel in eerste instantie vrijgelaten, want Nederland is een paradijs en vrij en tolerant enzo. Vervolgens escaleert het en moeten er harde maatregelen worden getroffen om te redden wat er te redden valt. Nederland regeert probleemoplossend. Een probleem doet zich voor en als reactie wordt er een oplossing voor gezocht. Er is geen inzicht voor nodig. Korte termijn visie, om de zaak van dag tot dag draaiende te houden.

In Korea is er een achterliggende gedachte voor elke ontwikkeling. Daadwerkelijk een strategie, een toekomstvisie. Van tevoren worden er grenzen gesteld zodat het doel niet gemist kan worden, en de honger van de adolescent-minded (en in Korea zijn dat ook de 50 jarigen) in combinatie met snoeihard kapitalisme doet de rest. Korea sticht een oorzaak en weet haar gevolgen. Nederland wacht af tot een willekeurig ontstaan monster te groot is om in toom te houden, bestempelt het achteraf als niet te voorzien en wekt de impressie dat we er nog goed af gekomen zijn met z’n allen.

De leiders in Korea geven hun land sturing op haast overdreven wijze. De toekomst is bijna ongeloofwaardig rooskleurig. In filmtrailer stijl worden compromisloze plannen gepresenteerd. Er is een doel en precies één methode om ‘m te bereiken.
Op hetzelfde moment in de geschiedenis pogen Nederlandse politici verschillende doelen te bereiken met uiteenlopende methoden. Gekleed in een net pak bedrijven politici de anarchie zoals hyena’s een oud karkas allemaal hun eigen kant op proberen te trekken.

Hoe langer ik hier zit hoe meer ik geïnspireerd raak van de daadkracht van de regering, haar scherpe focus en de daarbij horende pure initiatieven. Veel zuiverder dan het eeuwige Nederlandse compromis. Dat ons gevoel van hoe geavanceerd en ontwikkeld we wel niet zijn in Nederland grotendeels afhangt van de mate van zouteloosheid, is mij dan ook een steeds groter raadsel.

Tot zover.

Nog minder dan drie weken te gaan in Seoul. Spijtig, ongeveer. Ik heb er nog niet veel zin in om terug te gaan. Want het waren en zijn leuke tijden.
De leraren Engels waarmee ik zo nu en dan onverwachts een pilsje drink, hebben het er vaak over. Als je terug bent, heb je het zwaar. Zelfs zij die het hier niet geweldig vonden, trekken het slecht als ze weer thuis zijn. Dat klinkt raar.
Inderdaad, het kan ook niet altijd feest blijven. Maar zelfs als het nooit een echt feest is geweest, voelt de ‘volgende ochtend’ steevast beroerd.

Blijkbaar is er zoiets als het expat of exchange student -gevoel. Het dagelijks leven zou je ‘grotendeels hetzelfde’ kunnen noemen. Op de achtergrond galmt er toch zachtjes een ‘ja, lekker’ door je hoofd. Ik ben ergens mee bezig wat ik altijd al heb willen doen. ‘Ik heb mijn vleugels uitgeslagen’ – op het meest zeikerige toontje dat je je kan indenken. Er is hier iets wat voor een ieder, misschien achteraf nog meer, goed voelt.

Je zou kunnen zeggen; een dierentuin-dier in zijn buitenverblijf. Maar, zo overduidelijk is het niet. Het is misschien meer het gevoel dat ik had toen ik vroeger ‘s avonds buiten speelde. Ik deed botweg hetzelfde als overdag. Toch, het voelde ergens beter. Net iets meer energie. Het verschil tussen een volle neus en een gesnoten neus, zwembad oren en het moment daarna dat ze open ‘ploppen’.

Het is net zo spannend en uitdagend als de eerste keer dat je ‘verder mocht’. Een andere straat in. Terug in m’n oude territorium is het des te behaaglijker. Saaier?

Nadat ik met de mannen een aantal dagen in HongKong, Macau en Bangkok heb doorgebracht ben ik alleen verder gegaan. Sam en Pieter zijn richting het Zuiden van Thailand gegaan, en ik ben Oostwaards gegaan naar Cambodja. Goede kans dat ik niet zo veel heb gelachen de afgelopen dagen als ik anders in het Zuiden van Thailand had gedaan; in plaats van ‘leuk’ doe ik nu iets met ‘interessant’ en ‘ leerzaam’, en dat is natuurlijk ook leuk.

Op de bonnefooi ben ik de grens overgestoken bij Koh Kong. In dat stadje ben ik twee dagen gebleven. Was niet perse leuk of gaaf ofzo maar je zou kunnen beweren dat dat niet hoeft. De afgelopen weken of maanden heb ik zo veel nieuwe zogenaamd interessant dingen (toeristische attracties die je gezien moet hebben) gezien dat het me allemaal het ene oog in gaat en het andere uit. Boeiende dingen overload. In het saaie dorp van me heb ik de boel dus even wat rustiger aan gedaan. Gevolg is dat ik nu niet speciale dingen nu wel helemaal meemaak. En dat maakt ze dan weer interessant, ofzoiets.

Enige vastigheid van een leefritme of een constante omgeving of dezelfde fysieke bezittingen hebben zit er al maanden niet meer in, dus ik ben volstrekt raar ‘naakt’ hiero. Heel vreemd. (Dat past nergens in het verhaal, dus ik zet het willekeurig hier)

Dat ik in Cambodja ben, betekend niet dat ik nu een gescheiden, doorgerookte moeder van vijftig met zelf geverfde lappen om dr krakkemikkige corpus, die zichzelf probeert te hervinden, en misschien eventueel een schooltje gaat bouwen met gecollecteerd geld, ben geworden.
Ik heb however, wel eenzelfde soort statement te maken wat er bij de meeste donerende links-georinteerden juist niet lekker in gaat. Slecht voor te stellen voor de rijke Europeaan die iedereen hier heel zielig vindt. Namelijk: men is hier blij. Botweg vrolijk en tevreden, en straat arm.

Het was me vandaag op het stand weer een waar een waar genoegen om rond te lopen. In het niet-Westerse deel ‘verderop’ is het een ware heksenketel. Jong en oud loopt massaal met elkaar te ravotten. Niemand ligt, iedereen is aan het rennen of net op z’n bek aan het gaan. Het is echt een feestje. “Hier, hou even m’n kind beet, vreemdeling.”
Men woont aan het strand in kleine huisjes van golfplaten. Daar omheen liggen nog meer planken en golfplaten. De helft is werkloos, heeft tijd zat, en er is genoeg materiaal. De Westerner zou dan grote huisjes van golfplaten gaan bouwen. Doen ze niet. Komt niet in ze op. Zijn al blij.
Als het leuk is dan is het leuk. De enkeling die net nieuwe schoenen heeft gekocht rent er zonder te denken mee de zee in. Dan gaat het stuk. En dat interesseert ze geen ballen. Het is het soort mens niet voor welvaart. De zekerheid die we in het westen allemaal voor ons creeren door dingen proberen constant te houden wordt hier niet naar gestreefd. In tegendeel. Zoals ik het nu zie heeft het volk hier veranderlijkheid tot een toevoeging in het leven veredeld. De uitdaging is niet om de status quo te handhaven, maar om goed om te gaan met onzekerheid.

Ik denk niet dat ze met me zouden willen ruilen.